De polyvagaaltheorie: kritiek, respons en nieuwe inzichten

Het afgelopen jaar is de polyvagaaltheorie opnieuw onderwerp van debat geworden in wetenschappelijke kringen. Als Polyvagaal Instituut Nederland vinden we het belangrijk om deze discussie te duiden en onze positie helder te verwoorden. Wetenschappelijke vooruitgang gedijt bij kritische dialoog, mits deze gevoerd wordt op basis van accurate representatie van theorieën en empirische bevindingen.

De herhaalde kritiek: weinig nieuws onder de zon

De polyvagaaltheorie staat niet voor het eerst onder kritiek. Sinds de publicatie van Stephen Porges’ baanbrekende artikelen in de jaren negentig, zijn er regelmatig vragen gesteld bij aspecten van de theorie. Deze kritische discussie is op zichzelf waardevol en past bij een gezonde wetenschappelijke praktijk. Echter, de recente golf van kritiek, gecoördineerd door Paul Grossman en 39 co-auteurs, biedt weinig nieuwe inzichten die niet al eerder zijn besproken en geadresseerd.

De kern van de kritiek komt uit bekende hoek en herhaalt grotendeels eerdere bezwaren: vragen over de anatomische basis van het onderscheid tussen “veilige” en andere vagale circuits, twijfels over de evolutionaire sequentie van autonome systemen, en discussies over de precieze rol van de dorsale motorische nucleus van de vagus (DMV) bij cardiovasculaire regulatie. Voor wie de ontwikkeling van het veld heeft gevolgd, voelt deze kritiek als een herhaling van zetten in een schaakpartij die al meerdere decennia gaande is.

Wat opvalt is dat sommige kritiekpunten voortkomen uit een verkeerde weergave van wat de polyvagaaltheorie daadwerkelijk stelt. Dit maakt een inhoudelijke dialoog soms lastig. Porges heeft in zijn reacties herhaaldelijk aangegeven dat bepaalde kritieken niet de theorie aanvallen zoals hij deze formuleert, maar eerder een versimpelde of vertekende interpretatie ervan. Dit fenomeen – waarbij een theorie bekritiseerd wordt op basis van wat critici denken dat de theorie stelt, in plaats van wat de theorie daadwerkelijk beweert – bemoeilijkt constructieve wetenschappelijke vooruitgang.

Porges’ grondige en open weerlegging

Stephen Porges heeft op twee manieren uitgebreid gereageerd op de recente kritiek. Ten eerste heeft hij op de website van het Polyvagal Institute een uitvoerige analyse gepubliceerd waarin hij punt voor punt ingaat op de bezwaren. Deze tekst is te vinden via polyvagalinstitute.org/criticaldiscussionofpolyvagaltheory, is toegankelijk voor iedereen en erg interessant voor wie de discussie in detail wil volgen.

Ten tweede heeft Porges in hetzelfde wetenschappelijke tijdschrift waarin Grossmans kritiek verscheen een formele repliek gepubliceerd. Deze wetenschappelijke respons is grondig en gedetailleerd. Porges gaat methodisch te werk: hij verduidelijkt wat de polyvagaaltheorie wel en niet claimt, wijst op onjuistheden in de representatie van zijn werk, en onderbouwt zijn standpunten met verwijzingen naar recente empirische studies.

In zijn repliek benadrukt Porges bijvoorbeeld dat de kritiek op de evolutionaire aspecten van de theorie voorbijgaat aan recente inzichten in de ontwikkelingsbiologie van vagale kernen. Hij beschrijft helder dat de migratie van cardiovagale neuronen uit de DMV naar de nucleus ambiguus tijdens de embryonale ontwikkeling een goed gedocumenteerd fenomeen is, en dat dit patroon consistent is met de evolutionaire sequentie die hij voorstelt. Ook gaat hij uitvoerig in op de fysiologische verschillen tussen de ventrale en dorsale vagale complexen, waarbij hij zich beroept op anatomisch en elektrofysiologisch onderzoek dat dit onderscheid ondersteunt.

Wat waardevol is aan Porges’ reactie, is zijn openheid voor verfijning en verbetering van de polyvagaaltheorie. Hij stelt zich expliciet niet defensief op, maar nodigt uit tot wetenschappelijke dialoog – mits deze gebaseerd is op accurate representatie en empirische gronden. Porges erkent dat wetenschappelijke theorieën levende constructen zijn die evolueren door nieuwe bevindingen. Wat hij echter terecht afwijst, is kritiek die voortkomt uit misinterpretatie of die voorbijgaat aan de groeiende hoeveelheid aan ondersteunend bewijs.

Porges wijst er ook op dat veel van de kritiek zich richt op details van de neurofysiologie, terwijl de klinische toepasbaarheid van de theorie – het vermogen om gedrag, stress en sociale betrokkenheid te begrijpen en te beïnvloeden – vaak onbesproken blijft. Hij stelt dat een theorie nog niet op elk anatomisch detail perfect hoeft te zijn om klinisch waardevol en praktisch bruikbaar te blijven. Tegelijkertijd benadrukt hij dat hij openstaat voor aanpassingen wanneer nieuwe empirische gegevens daar aanleiding toe geven.

Deze houding – kritisch maar open, principieel maar bereid tot aanpassing – is precies wat we mogen verwachten van volwassen wetenschappelijke theorievorming. Het contrasteert ook met de soms meer stellige toon in sommige kritieken, waarbij de polyvagaaltheorie bij voorbaat als achterhaald wordt gepresenteerd.

Voortgaand onderzoek: verfijning blijft mogelijk

Midden in dit debat is het belangrijk om te benadrukken dat het onderzoeksveld in beweging blijft. Recent verscheen bijvoorbeeld onderzoek van Strain, Campbell, Boychuk en collega’s (iScience, maart 2024) dat laat zien hoe verfijning van ons begrip van vagale circuits kan plaatsvinden. Dit onderzoek toont aan dat de dorsale motorische nucleus van de vagus inderdaad een rol speelt bij cardiovasculaire regulatie en dat DMV-neuronen unieke elektrofysiologische eigenschappen hebben. Hoewel dit onderzoek de polyvagaaltheorie niet expliciet bespreekt, illustreert het wel hoe verder onderzoek naar vagale systemen kan bijdragen aan een genuanceerder beeld.

Dit soort studies laat zien dat de vragen die de polyvagaaltheorie opwerpt – over verschillen tussen vagale circuits, hun evolutionaire oorsprong en hun gedragsmatige implicaties – wetenschappelijk relevant blijven en uitnodigen tot verder onderzoek. Het is precies het soort wetenschappelijke vooruitgang waar Porges in zijn reacties om vraagt: onderzoek dat voortbouwt op eerdere inzichten, hypotheses empirisch toetst, en bijdraagt aan een steeds genuanceerder begrip.

De positie van Polyvagaal Instituut Nederland

Als Polyvagaal Instituut Nederland volgen wij de ontwikkelingen nauwgezet. We staan in nauw contact met het Polyvagal Institute International en nemen onze rol serieus als brug tussen de Engelstalige wetenschappelijke literatuur en het Nederlandstalige veld van professionals en belangstellenden. We realiseren ons dat veel Nederlandse therapeuten, psychologen en andere professionals de polyvagaaltheorie toepassen in hun werk, en dat zij baat hebben bij een helder en genuanceerd beeld van zowel de sterke punten als de discussiepunten rondom de theorie.

Het komende jaar zullen we een inhaalslag maken in het toegankelijk maken en vertalen van de argumenten voor én tegen de polyvagaaltheorie. We vinden het belangrijk dat professionals in het veld niet alleen kennisnemen van de theorie zelf, maar ook van de wetenschappelijke discussie eromheen. Dit stelt hen in staat om weloverwogen beslissingen te nemen over hoe zij de theorie toepassen in hun praktijk.

We juichen daarbij een wetenschappelijke houding toe waarin kritische geluiden niet alleen getolereerd, maar verwelkomd worden. Wetenschappelijke theorieën worden sterker door kritische toetsing, en de polyvagaaltheorie is daarop geen uitzondering. Tegelijkertijd vinden we het belangrijk dat deze kritiek gevoerd wordt op basis van accurate representatie, methodologische zorgvuldigheid en respect voor de wetenschappelijke dialoog. Persoonlijke geschillen en retorische overdrijvingen dienen daarbij geen plaats te hebben.

Nuancering en context

Het is belangrijk om te benadrukken dat de discussie over de polyvagaaltheorie zich afspeelt op het snijvlak van verschillende wetenschappelijke disciplines: neuroanatomie, fysiologie, evolutionaire biologie, ontwikkelingspsychologie en de klinische praktijk. Dit maakt de theorie rijk en toepasbaar, maar ook complex en soms vatbaar voor verschillende interpretaties. Sommige discussiepunten hebben betrekking op zeer specifieke anatomische details waarover zelfs experts twijfels kunnen hebben. Andere discussies gaan over de vertaalslag van neurobiologische bevindingen naar klinische toepassingen – een stap die altijd om zorgvuldigheid vraagt.

Voor professionals die de polyvagaaltheorie toepassen in therapeutische contexten, is het essentieel om te beseffen dat een theorie niet perfect hoeft te zijn om klinisch waardevol te zijn. Veel succesvolle therapeutische benaderingen zijn gebaseerd op modellen die in wetenschappelijk opzicht nog gedeeltelijk hypothetisch zijn of waar discussie over bestaat. Wat telt is of de theorie helpt om fenomenen te begrijpen, behandelplannen te onderbouwen en cliënten vooruit te helpen. De polyvagaaltheorie heeft voor veel therapeuten bewezen dit te kunnen doen.

Tegelijkertijd is het belangrijk om de theorie niet als een dogma te behandelen, maar als een werkmodel dat open staat voor verfijning. Nieuwe inzichten uit onderzoek kunnen en moeten leiden tot aanscherping van hoe we de theorie begrijpen en toepassen. Dit vraagt om een balans: enerzijds vertrouwen op de kernconcepten die inmiddels goed onderbouwd zijn, anderzijds openheid voor nuancering en ontwikkeling.

Vooruitkijken: van debat naar dialoog

De huidige discussie over de polyvagaaltheorie zou idealiter moeten uitgroeien van een debat – waarbij partijen tegenover elkaar staan – naar een dialoog waarin verschillende perspectieven bijdragen aan een gezamenlijk doel: beter begrip van hoe het autonome zenuwstelsel functioneert en hoe we die kennis kunnen inzetten voor het welzijn van mensen.

Porges’ uitgebreide en open reacties op de kritiek bieden een fundament voor deze dialoog. Door helder te maken wat de theorie wel en niet claimt, door in te gaan op empirische bevindingen, en door ruimte te laten voor verfijning op basis van nieuwe inzichten, toont hij hoe wetenschappelijke theorievorming zich idealiter ontwikkelt. We hopen dat de komende jaren constructieve uitwisseling zullen opleveren; niet alleen gericht op het “bewijzen” of “weerleggen” van de theorie als geheel, maar op het beantwoorden van specifieke vragen over autonome regulatie, gedrag en gezondheid.

Als Polyvagaal Instituut Nederland zetten we ons in om deze ontwikkelingen te volgen, te duiden en toegankelijk te maken voor het Nederlandse taalgebied. We blijven daarbij trouw aan onze missie: het bevorderen van kennis over het autonome zenuwstelsel en de toepassing daarvan in therapeutische, educatieve en andere settingen, altijd met oog voor zowel wetenschappelijke grondigheid als praktische bruikbaarheid.

Zoals beschreven zullen we de komende maanden vertalingen en samenvattingen van de belangrijkste argumenten in het huidige debat publiceren. We nodigen iedereen uit om deze informatie kritisch te lezen en een eigen afgewogen oordeel te vormen. Want uiteindelijk gaat het daar om: niet blind volgen of blind afwijzen, maar kritisch, genuanceerd en met open blik kijken naar wat de wetenschap ons te bieden heeft.

Bestuur Polyvagaal Instituut Nederland

Foto: Harli Marten on Unsplash

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven